Janny van der Veen-Langbroek

Janny van der Veen-Langbroek

Dat Janny van der Veen (87) vrolijk in het leven staat, zie je meteen. Met een olijk lachje wijst ze mijn stoel aan in de woonkamer. Als ik de knuffelbeesten die op de stoel liggen weg leg, mag ik in de linkerhand van het knuffelaapje knijpen, waarop het speelgoedbeestje begint te lachen en scheten laat. Janny heeft de grootste lol.

Janny woont in Martinus in Medemblik omdat ze 24 uur per dag zorg en ondersteuning nodig heeft. Janny: ‘Mijn linkerbeen is afgezet omdat de doorbloeding niet goed functioneerde en mijn andere been doet het ook niet meer. Ik heb slijtage in mijn nek en mijn botten zijn zacht. Die breken zo. Eigenlijk kan ik niet zo veel meer. Het lukt me niet meer om iets uit een kast te halen bijvoorbeeld. En als ik op bed lig, kan ik mijn onderlichaam niet gebruiken. Maar ik lach er om. Het is zoals het is. Mijn jongens zeggen: zo lang ze gek doet gaat het wel goed. En dat is ook zo. Ik kan wel goed met moeilijkheden omgaan.’

Janny is geboren in IJmuiden als dochter van een visserman. ‘In de oorlog was ik acht jaar. Toen de oorlog uitbrak was mijn vader op zee en kon niet terug naar Nederland. Ze zijn naar Engeland gevaren. Daar heeft hij tijdens de oorlog bij de marine gezeten. Ze zijn drie keer getorpedeerd geweest door Duitse mijnenvegers. Mijn moeder woonde met vier kinderen bij de sluis in IJmuiden. Nadat die werd gebombardeerd, zijn we naar Friesland gegaan waar ik in een gastgezin zat. Ik spreek nog steeds een beetje Fries en heb ook nog vrienden uit die tijd. Maar het was een moeilijke tijd. Ik heb daarna nooit meer kunnen huilen.’

Na de oorlog vertrok het gezin naar Indonesië, waar vader in de visserij ging werken.  ‘Dat avontuur duurde niet lang. Na twee jaar werden we daar vanwege de oorlog weer weggehaald. Ik vond het wel erg mooi om daar naar toe te gaan, maar de Hollanders waren niet bepaald beleefd tegen de mensen daar. Mijn vader wilde daar niet aan mee doen, voelde zich er niet bij op z’n gemak. We zijn weer teruggegaan naar IJmuiden.’

Op haar zeventiende ontmoette Janny in de bioscoop haar man Hetzer. Samen kregen ze twee zoons en woonden in Amsterdam, Purmerend en Midwoud. In de laatste jaren samen had Hetzer veel zorg nodig. Toen het voor Janny te zwaar werd, is Hetzer verhuisd naar een verpleeghuis in Opperdoes waar hij nog zeven jaar heeft gezeten.

‘Mijn zoons zeggen:
zo lang ze gek doet
gaat het wel goed.’

‘Hetzer kon niets meer. De zorg voor hem viel mij ook heel zwaar, zowel lichamelijk als psychisch. Nee, de laatste jaren waren voor ons beiden beslist niet gemakkelijk. Vijf jaar geleden is hij overleden. We waren toen bijna zestig jaar getrouwd. Toen het voor mij thuis ook niet meer ging, ben ik naar Martinus verhuisd. Ik wilde liever niet naar een verpleeghuis, dus dit sprak mij heel erg aan. Ik heb hier gewoon mijn eigen woning en heb het ingericht zoals ik dat wil. Ik ben altijd op mezelf geweest, dan voel ik me prettig. Ik ben dus meestal in mijn eigen woning te vinden en ga alleen naar de woonkeuken om met elkaar te eten. Dat vind ik wel gezellig. Ik had hier wel een maatje met wie ik erg kon lachen, Vera, maar die is onlangs overleden. Er wonen hier ook mensen die elkaar juist wel vaak opzoeken voor de gezelligheid. Het is mooi dat het hier allemaal kan. Maar ik heb genoeg aan mijn zoons waar ik een heel goed contact mee heb en mijn schoondochters die veel voor mij doen. Ik geniet van mijn kleinkinderen die nu ook zelf al weer kinderen krijgen. Het enige wat ik mis zijn mijn huisdieren. Die mag ik hier wel hebben, maar ik kan er in mijn toestand gewoon niet voor zorgen. Gelukkig wordt er voor mij op deze plek heel goed gezorgd. Ja, ik kan wel zeggen dat ik gelukkig ben.’

Dit interview is gepubliceerd in FAME Magazine 2021


Loading...